- Home
- /
- Gids
- /
- Achmea matrixen oefenen met voorbeelden
Achmea matrixen oefenen met voorbeelden
Oefen matrixen voor het Achmea assessment met concrete voorbeelden. Bereid je gericht voor op abstract redeneren en herken het patroon sneller.
Gericht starten met matrixen voor Achmea
Voor het Achmea assessment is het verstandig om eerst te focussen op de vraagtypen die je het vaakst kunt tegenkomen. Matrixen horen daar bij de onderdelen voor abstract redeneren en vragen vooral om patroonherkenning en logisch afleiden.
Achmea kan een assessment afnemen via HFM, LTP of Harver (NOA). Welke variant je precies maakt, staat in de uitnodigingsmail. Daarom helpt het om vooraf al vertrouwd te raken met matrixen, zodat je tijdens het assessment minder tijd kwijt bent aan de opzet van de vraag.
Bij het oefenen is het nuttig om niet te beginnen met snelheid, maar met het goed lezen van de figuren en relaties in het raster. Als je eerst begrijpt welk patroon herhaald of aangepast wordt, wordt het oplossen van de matrix overzichtelijker.
Probeer direct een voorbeeldvraag
Zo krijg je meteen gevoel bij de vraagstijl en de meerwaarde van de oefenomgeving.
Hoe je matrixen in de praktijk benadert
Een matrix bestaat meestal uit een raster met meerdere vakjes waarin figuren een vast patroon volgen. In plaats van elk vakje los te bekijken, is het slimmer om te zoeken naar veranderingen per rij, per kolom of in de combinatie van kenmerken.
Concreet kun je letten op vormen, rotatie, richting, aantal elementen en samenstelling van figuren. Bij voorbeelden zie je vaak dat één eigenschap stap voor stap verandert, terwijl een andere eigenschap gelijk blijft. Dat soort voorbeelden laat goed zien waar je als eerste op moet letten.
Als een matrix voorbeeldopgaven bevat, gebruik die dan om eerst het patroon te benoemen voordat je antwoordopties bekijkt. Zo voorkom je dat je gaat raden op basis van losse details.
Voorbeelden van wat je kunt herkennen
Een veelvoorkomend voorbeeld is een rij figuren waarin de vorm telkens draait, terwijl het aantal onderdelen gelijk blijft. Dan moet je niet zoeken naar een nieuwe figuur, maar naar de volgende stap in dezelfde logica.
Een ander voorbeeld is een matrix waarin per kolom een extra element wordt toegevoegd of juist verdwijnt. In zulke situaties helpt het om de verandering per vakje naast elkaar te zetten en niet alleen naar het ontbrekende vak te kijken.
Soms zie je combinaties van kenmerken, bijvoorbeeld een vaste vorm die in kleur, richting of positie verandert. Zulke voorbeelden zijn nuttig omdat ze laten zien dat matrixen vaak meer dan één patroon tegelijk kunnen bevatten.
Oefenen met voorbeelden is vooral waardevol als je wilt leren prioriteren. Begin bij de meest zichtbare regel, zoals rotatie of aantal, en werk daarna pas de subtielere verschillen uit.
Aansluiting op de verschillende assessmentvormen
Bij HFM komen onder meer figuurreeksen, cijferreeksen, syllogismen en analogieën voor. Matrixen passen vooral bij de logische en abstracte denkwijze die in dit soort onderdelen terugkomt, ook als ze niet in elke variant centraal staan.
Bij LTP zijn matrixen een van de onderdelen die vaak terugkomen binnen de capaciteitentests. Daar is het extra belangrijk om vertrouwd te zijn met meerdere patroonvormen, omdat de opgaven vaak gecombineerd abstract redeneren vragen.
Bij Harver (NOA) ligt de nadruk vaker op cijferreeksen, exclusie en analogieën. Ook dan kan het helpen om matrixen te oefenen, omdat je daarmee je logisch redeneren en het snel herkennen van regelmaat versterkt.
Omdat je vooraf een uitnodiging ontvangt met informatie over het assessment, blijft het verstandig om je mail goed in de gaten te houden. Daarna kun je gericht kiezen welke onderdelen je extra oefent.